Acupunctuur in het westen

De laatste jaren is de belangstelling voor acupunctuur enorm gegroeid. Het verschil tussen de Westerse geneeskunde en acupunctuur is bijzonder groot. De Westerse aanpak berust vooral op symptoombestrijding, terwijl in de acupunctuur een klacht of ziekte nooit op zichzelf staat.   

Toch wordt er steeds meer onderzoek naar acupunctuur verricht door Westerse wetenschappers. In september 2001 bleek uit een publicatie van Britse wetenschappers dat acupunctuur een zeer veilige behandelmethode is. Het aantal klachten en bijwerkingen na behandelingen is opmerkelijk laag. Eventuele bijwerkingen hebben een tijdelijk karakter: binnen twee weken zijn ze verdwenen. Uit Duits onderzoek in februari 2002 bleek dat acupunctuur bij negen van de tien patiënten met chronische pijnklachten helpt.

Acupunctuur betekent vaak een minder zware belasting voor het lichaam dan bepaalde medicijnen of ingrepen. In het academisch ziekenhuis St. Radboud in Nijmegen wordt acupunctuur gebruikt om operatiepijn te bestrijden. Door elektrisch gestimuleerde naalden op bepaalde punten in te brengen, worden gevoelszenuwen geprikkeld. Die zenuwen geven dan een verdovende stof af, een soort endorfine. Deze stof verhoogt de pijndrempel, bestrijdt pijn en is ontstekingsremmend. Patiënten hebben op deze manier tijdens de operatie minder morfine nodig. Dit is beter voor het functioneren van de organen. Patiënten herstellen ook sneller en hebben minder last van misselijkheid na de operatie.

Door bovenstaande onderzoeken en ontwikkelingen zal acupunctuur een steeds belangrijkere plaats in de Westerse geneeskunde innemen.